Journalistiek en Nieuwe Media

Door docenten

Journalism Studies: academie versus praktijk

Academisch onderzoek en de journalistieke praktijk vormen twee werelden die zich niet met elkaar bemoeien. Dat kan en moet anders betoogt Kevin Marsh in het recente nummer van het Journal of Applied Journalism and Media Studies.

Het is moeilijk voor te stellen dat artsen zouden zeggen dat universitair medisch onderzoek weinig relevantie voor hun dagelijkse werk heeft. De medische praktijk zou weinig tot geen vooruitgang boeken; procedures zouden maar zo’n beetje op gevoel gebeuren en de effecten van wat artsen precies doen blijven duister. Volgens Kevin Marsh is dit wel de situatie van journalisten tegenover het journalistiekonderzoek aan universiteiten.

Ivoren toren

Marsh is geen academicus die zijn oordeel velt vanuit de academische ivoren toren. Voordat hij academicus werd, was hij dertig jaar editor bij de BBC. Over wat hij in die praktijkjaren heeft gehad aan het onderzoek aan universiteiten is hij kort: “Ik kan ik me geen enkel paper van onderzoekers herinneren dat ik relevant of bruikbaar vond voor mijn dagelijks werk, of dat erin resulteerde dat ik de dagelijkse praktijk van mijn werk veranderde.”

Er is een aantal voor de hand liggende redenen voor dat gat tussen de academie en de praktijk. Ten eerste is journalistiek geen beschermd beroep: je hoeft niet, zoals artsen of advocaten, een opleiding te voltooien voor je het vak mag uitoefenen. Dat is nou net, zegt Marsh, de essentie van journalistiek in de vrije wereld: iedereen mag het vak uitoefenen.  En vanuit dat oogpunt is het niet verkeerd dat journalisten zich verzetten tegen regels of invloed vanuit de academische wereld. Maar dat is iets anders dan dat je als journalist benieuwd zou kunnen zijn naar de verhouding tussen journalistiek en de wereld waar je voor schrijft, naar de invloed die je hebt op het discours en de manier waarop bijvoorbeeld beïnvloeding door journalistiek werkt. En daarin zijn, zo zegt Marsh, de meeste journalisten ronduit weigerachtig. Ze zien de journalistiek als een instinctief ambacht waar een goede neus en gevoel voor nieuws bij komt kijken, zaken die moeilijk zijn te vatten in onderzoek dat zich vaak op procedures zou richten. Onzin, zegt Marsh, er zijn tal van kwesties in de journalistiek die door middel van onderzoek te verbeteren zijn.

Obscure taal

Natuurlijk valt universiteiten ook wel wat te verwijten. Om te beginnen signaleert Marsh het onmogelijke format van wetenschappelijke papers, met hun fetisj voor obscure onbegrijpelijke taal en onverteerbare paragrafen met verwijzingen naar theorie en eerdere studie. “Mensen op de werkvloer hebben niks aan literatuurbesprekingen en verwijzingen die bedoeld zijn om te tonen hoe academici een snippertje kennis binnen het een of andere theoretisch of conceptueel kader een millimeter verder hebben gebracht. Vooral omdat die werkvloer het conceptuele kader doorgaans bizar vindt.”

Hoe dan wel? Marsh wijst in zijn artikel op de manier waarop in de jaren negentig de American Public Journalism Movement vanuit de academische wereld intervenieerde in de journalistieke praktijk. Het grote verschil met de huidige onderzoekssituatie, aldus Marsh, was tweeledig. Niet alleen wilden deze academici uitdrukkelijk de journalistieke praktijk verbeteren en veranderen en niet alleen beschrijven. En ten tweede deden ze dat niet alleen via de geijkte academische kanalen, maar ook en vooral in niet- academische formats zoals trainingen op de werkvloer, blogposts, publieke interviews, workshops en ingezonden stukken. Het was deze beweging (van o.a. Jay Rosen) die de weg vrijmaakte voor instituten als het Pew Centre, het Nieman Journalism Lab en the Columbia Journalism Review.

Beurzenprogramma

In Engeland biedt het Reuters Institute for the Studie of Journalism een tweede model om de kloof tussen academie en werkvloer te dichten. Kern van dat model is een beurzenprogramma dat journalisten beurzen verschaft om aan de universiteit een aspect van de journalistieke praktijk te bestuderen dat directe relevantie heeft met de praktijk van hun werk.

Een derde model biedt de BBC zelf. Door de publieke financiering is de Britse publieke omroep eraan gewend voortdurend verantwoording af te moeten leggen aan dat publiek. Ze doen dat onder andere met zogenoemde editorial reviews. Dergelijke reviews worden uitgevoerd door deskundige panels onder leiding van inhoudelijke specialisten op een specifiek gebied, soms uit de academische wereld, soms uit de samenleving. Die panels beschouwen allerlei aspecten van de berichtgeving in het nieuws. Voorbeelden van onderwerpen die Marsh geeft, zijn de Europese Unie, het plattelandsleven of de Arabische wereld. Doel van die reviews is het analyseren van de output en beoordelen wat er precies is uitgezonden. Daarbij gaat het niet alleen om de inhoud, maar ook om zaken als stijl, framing, het gekozen narratief en nieuwsselectie. Resultaat van de reviews zijn aanwijzingen voor verbetering. Editors bij de BBC zijn niet altijd blij met deze bemoeizucht. Maar de rapportages zijn zeer gedegen, van hoge kwaliteit, toegankelijk en gericht op de praktijk. Je kunt er als omroep dus niet omheen.

Het artikel van Marsh opent de vierde jaargang van het Journal of Applied Journalism and Media Studies, een peer reviewed journal dat zich richt op het dichten van de kloof tussen communicatie-onderzoek en de praktijk van mediaproductie. In een ander artikel in datzelfde nummer focust Sarah Niblock op een nieuw model voor meeslepend journalistiekonderzoek vanuit een praktisch academisch perspectief. 

BRON: Marsh, K. (2015). Journalism’s pratitioners and the academy: Must they eternally live in different universes? Journal of Applied Journalism and Media Studies, 4, 2, 195-203.

Plaats een reactie

Name (required)

E-mail (required)

Een avatar? Ga naar www.gravatar.com

Onthoud mij
Hou me op de hoogte van reacties